Volgende week begint Nederland weer aan de keuze van het Woord van het Jaar. Van Dale organiseert de boel vanuit deze website, en in ware Idols/X-Factor/Dichter des Vaderlands/Got Talent/Grootste Nederlander/Dansen op het IJs/Beste Idee/Popstars-traditie valt deze eer in Nederland te beurt aan de winnaar van een publieksverkiezing.
Ik vind dat onzinnig. Sterker nog, ik denk dat het uitschrijven van zo’n verkiezing het alleen maar waarschijnlijker maakt dat de winnaar juist niet het woord van het jaar is. Vorig jaar was kredietcrisis toch wel hét woord van 2008, maar nam swaffelen de trofee mee naar huis. Sex sells, ook hier.
Nee, dan het Engelse woord van het jaar. Meerdere instanties kiezen er een, maar dan is die keuze wel toevertrouwd aan een panel van deskundigen, vaak redacteuren van een groot woordenboek of taalinstituut.
Gisteren hoorde ik op het nieuws het bericht dat Richelle Laurijsen overleden was, 16 jaar oud. Als je hoort dat iemand zo jong sterft, zelfs al ken je ze niet, doet het toch altijd pijn. Ergens diep in je botten weet je gewoon dat dat niet hoort, dat het indruist tegen de natuurlijke gang van het leven.
Het nieuws van Richelles dood trok ook mijn aandacht omdat ze in de laatste maand van haar leven actie gevoerd had tegen een woord. Het woord kanker. Zij leed aan botkanker en wist dat ze eraan zou sterven. En om haar heen hoorde ze om de haverklap jongeren zeggen: kanker-dit, kanker-dat.
Ik kan me voorstellen dat dat door je ziel snijdt, om mensen zo terloops te horen strooien met de naam van die ziekte die jou in zijn greep heeft. En ik kan me voorstellen dat je dan wil zeggen: jongens, kijk nou uit met wat je zegt, je kwetst me hiermee. Het is dan ook heel stoer dat Richelle dat met verve gedaan heeft.
Het is je vast wel eens overkomen. Je bent op een website en voert wat gegevens in of vraagt wat gegevens op. En voordat de site je verder toelaat tot zijn ingewanden, vraagt hij je eerst nog even om een paar letters en cijfers te lezen en die weer in de tikken. Alleen zien die tekens eruit alsof ze net door een mangel gehaald zijn.
Zoiets dus.
Die letterkronkels, zo heb ik onlangs geleerd, hebben een naam. En het is nog een leuke naam ook: captcha.
Neem wat oud wit brood, een paar eieren, een beetje suiker en wat melk. Klop de melk, suiker en eieren door elkaar. Snijd de korstjes van het brood af en doop de sneetjes in het mengsel. Bak ze dan in boter in een koekenpan – en voilà, je hebt een heerlijk gerecht dat we in Nederland wentelteefjes noemen.
Een mooi woord is dat, wentelteefje. Het tweede deel van de samenstelling, “teefje”, is waarschijnlijk de verbasterde vorm van een oud woord voor een soort gebak. En het eerste deel geeft aan dat je deze teefjes in de pan moet wentelen om ze aan beide zijden gaar te bakken. Maar wij zijn lang niet de enigen die dit gerecht, of een variant erop, maken. En internationaal heeft het de meest uiteenlopende namen.
De Amerikanen noemen het French toast, maar er zijn geen aanwijzingen dat dit een recept van Franse origine is. In Groot-Brittannië wordt het eggy bread genoemd, of gypsy toast. Ook hier is er geen reden om aan te nemen dat zigeuners iets te maken hebben met de herkomst van de lekkernij. Maar het valt wel op dat de naamgeving steeds suggereert dat dit eten “van elders” komt.
Stel, je maakt een film. En die film doet het goed. Er wordt wat geld verdiend, en dan zijn er slimme lieden die zeggen: laten we dat nog eens doen. Om meer geld te verdienen.
Dan maak je nog een film op basis van hetzelfde idee. Film II, zogezegd. Dan heb je twee films die een beetje bij elkaar horen. Samen kun je die een tweeluik noemen. Het origineel en het vervolg.
Diezelfde slimme lieden komen natuurlijk ook op het idee om nog eenfilm te maken. Film III dus. Dan heb je drie films, die je samen een drieluik of trilogie noemt. Dat is een mooi woord, trilogie. Het stamt uit het Grieks en is samengesteld uit de delen tri- (drie) en logos (verhaal).
De filmwereld is dol op dit soort trio’s. Zo heb je drie keer Back to the Future, Bourne, Spider-Man, Pirates of the Caribbean, Jurassic Park etc. Maar soms willen die fijne slimme lieden er nog een vierde film aan vast plakken. Dat kan natuurlijk, maar waar blijf je dan met je “drie + verhaal”? Je moet dan toch echt overstappen op “vier + verhaal”.
Dat klinkt misschien simpel, maar dat is het niet. Kennelijk. Lees verder →
Vorige week heb je al gezien hoe de “achternaam” van Julius Caesar de titel werd van de Romeinse heersers, en ook zijn weg vond naar het Nederlandse woord keizer. (Strikt genomen was het niet zijn achternaam, maar zijn cognomen: het derde deel van de naam van een Romeins staatsburger, in de conventies van het antieke Rome. De eerste twee delen waren het praenomen, de “voor-naam”, en het nomen gentile, de familienaam.)
Maar het verhaal van caesar is daarmee nog niet klaar. Want niet alleen “onze” keizerstitel stamt ervan af, ook het woord tsaar is een afgeleide van caesar.
We associëren tsaren nu vooral met de Russische monarchie, maar de eerste die de titel voerde was een Bulgaar. Prins Simeon I heerste over Bulgarije van 893 tot 927, en halverwege zijn bewind besloot hij dat de titel van prins hem toch wat te minnetjes was. Dus noemde hij zichzelf keizer, caesar – tsar. “De Grote”, voegde hij er ook nog aan toe – want je moet natuurlijk wel even duidelijk maken wie er de baas is.
Er zijn nogal wat mensen die met een keizersnede ter wereld gekomen zijn. Ik bijvoorbeeld. Maar waarom heet de meest uitgevoerde operatieve ingreep ter wereld een keizersnede? In menig cocktailpartygesprek hoor je dat dat is omdat de Romeinse keizer Julius Ceasar zo geboren is. Maar dat slaat de plank helaas mis. Twee keer zelfs.
Om te beginnen was Gaius Julius Caesar (100-44 v.Chr.) helemaal geen keizer. Hij was een Romeins veldheer, consul en dictator – maar geen keizer.
Afgelopen zaterdag was het de Landelijke Dag Psychische Gezondheid. Een sympathiek initiatief om weer eens onder de aandacht te brengen dat er ook mensen zijn die net even anders tegen de wereld aankijken dan jij en ik. Dit jaar was het thema van de LDPG: autisme.
Misschien heb je ook de bijbehorende radiocommercial gehoord die dezer dagen te horen was. Een strenge man zegt: “Hé, kijk me aan als ik tegen je praat!” Waarna een vriendelijke vrouwenstem vervolgt: “Bent u wél autismevriendelijk? Doe de test op…” Et cetera.
Kennelijk is ook in mijn brein niet alles koek en ei – want nog voordat die URL langskomt, ben ik al afgedwaald. “Bent u autismevriendelijk?” Hoe bedoel je? Ik wil helemaal niet autismevriendelijk zijn!
Tja, wat doe je als je een verhaal hoort over iemand die in de rats zit over een onbeantwoorde liefde? Ik pak meteen de Taaleidoscoop erbij. Dat helpt natuurlijk voor geen meter om de onwillige beminde die gewenste schop onder de kont te geven, maar ja, je kijkt er wel verder mee.
Want je ziet dan meteen de Engelse term voor een onbeantwoorde liefde: unrequited love. Een prachtige combinatie van woorden, die ook in het Engels poëtisch en prettig ouderwets aandoet. Dat komt omdat het woord unrequited bijna niet meer gebruikt wordt los van love. Je ziet het wel hoor, en niet altijd correct gebruikt – maar in verreweg de meeste gevallen gaat het om de combo unrequited + love.
Zoiets heet een collocatie: twee of meer woorden die verbonden zijn in een min of meer vaste uitdrukking. (Collocatie betekent letterlijk: samen-plaatsing.) Voorbeelden in het Nederlands zijn: euvele + moed en harde + waarheid. Ga maar na, je zou niet snel zeggen: “Hij had het euvele lef om haar voor te liegen” of “Zij moet nu toch de stevige waarheid onder ogen zien”.
De letter c is een leuke letter. Hij wisselt nogal eens van klank, afhankelijk van waar hij zich in een woord bevindt. En, zoals het een echte deugniet betaamt, komt hij daarmee soms in de problemen.
Twee weken geleden keek de Taaleidoscoop al naar het Engelse woord syncing, kort voor synchronizing. Daar houdt de c zich niet echt aan de regels: hij hoort als een s te klinken, maar doet toch net alsof hij een k is.
Straks komen we weer terug bij de c, maar eerst neem ik je even mee naar een apart categorie woorden in het Nederlands. Dat zijn werkwoorden die aan het Engels ontleend zijn, en die in die taal eindigen op een stille e die voorafgegaan wordt door een l, die op zijn beurt weer voorafgegaan wordt door een andere medeklinker.
Dat klinkt misschien wat technisch allemaal, maar dat is het niet. Het komt erop neer dat aan het eind van het werkwoord staat: medeklinker + -le. Er zijn er daarvan te veel op om te noemen. Denk aan battle, hobble, topple, trickle, etc.